Disclaimer

De bijdragen aan het maatschappelijke debat, zoals op dit blog gepubliceerd, zijn bedoeld als ondersteuning van het recht op vrije meningsuiting. Mocht u desondanks in uw eer of goede naam aangetast worden, of nog erger dat u door deze teksten gekwetst wordt, lees dan eerst even de bijgaande disclaimer.

woensdag, januari 04, 2006

Ger Groot in de NRC van 31-12

Citaat uit: "De politiek kan niet zonder de vraag: wat is een goede samenleving?"
door Ger Groot
NRC 31-12-2005
...
Vrijwel iedereen is vergeten dat Fortuyn (..) allereerst de VVD inverlegenheid bracht, voordat de volkswoede zich uitstortte over de linksepartijen die dit land rijk is. Dat had niet alleen een electorale reden.Het Fortuynisme confronteerde de partij met het moeilijke parket waarin demondiale overwinning van het liberalisme haar gebracht had.

Trots kon de VVD vaststellen dat haar uitgangspunt de onontkoombare ideevan onze tijd geworden was, zoals Jean-Paul Sartre dat ooit van hetcommunisme had gezegd. Maar daarmee zag ze zich ook voor de opgave gesteldeen idee te hebben.

Het ongemak van de VVD komt niet in de eerste plaats voort uit de tweezielen die ze, als tegelijk liberale en conservatieve partij, altijd inhaar borst gekoesterd heeft. Het wortelt in haar plicht een totale,stichtende' visie op de samenleving te ontwikkelen, na zich decennialangte hebben kunnen beperken tot het plaatsen van kanttekeningen bij de visiesvan andere, werkelijk beschouwelijke stromingen: christendemocratie,socialisme en (desnoods) communisme. Zolang die laatste zorgden voor eengrondvestend idee van de gemeenschap, kon zij volstaan met het bijsturendaarvan en dus met een nogal formele politieke ideologie. Het is dan ookniet verwonderlijk dat de VVD er in die rustige dagen prat op kon gaan meereen gezelligheids- dan een discussie-partij te zijn.

Nu zij plotseling de koningin van het politieke bal geworden is, is hetmet die rust gedaan en tekent zich tussen liberale fundi's en realo's eentweestromenland af waar de Duitse Groenen trots op zouden zijn. Van deeerste is Ayaan Hirsi Ali het spraakmakendste voorbeeld in het voornemeniedere levensbeschouwelijkheid uit de publieke ruimte en de politiek teweren. Van de tweede Hans Wiegel in zijn veeleer conservatieve liberalisme.

Geen van beiden kan het liberale probleem echter oplossen. TerwijlWiegel leentjebuur blijft spelen bij de dominante politieke ideeën vanvoorheen, wedt Hirsi Ali op een liberaal individualisme dat onder- en somsbovenhuids steeds sterkere weerstand ondervindt in een samenleving dieméér wil zijn dan de optelsom van haar leden.

De burger is immers geen anonieme pion die in het politieke enmaatschappelijke spel kan worden teruggebracht tot zijn keuzevrijheid'(van energie en zorg tot het management' van de politiek). Hij is eenwezen met overtuigingen, tastbare banden en een sociale diversificatie diehij ook publiekelijk erkend wil zien. Zolang het liberalisme hemuitsluitend blijft beschouwen als een individu, zal het geenmaatschappijvisie kunnen ontwikkelen waarin aan het maatschappelijk verkeerhogere eisen kunnen worden gesteld dan de bescherming van persoonlijkerechten en vrijheden.

Daarmee komen de andere politieke stromingen, tijdelijk overschaduwddoor het liberale succes, opnieuw in beeld. Niet in de eerste plaats omdathun samenlevingsvisioenen zo onfeilbaar zijn, maar omdat zij althansbeschikken over een visie die verder gaat dan beheer en de bereidheidproblemen op te lossen wanneer zij zich voordoen. Dat laatste recept vooreen verstandige politiek werd jarenlang verdedigd door de filosoof KarlPopper, die in liberale kring dan ook graag wordt aangehaald. Beleid dathet riskante avontuur schuwt, bestond volgens hem in een piecemealengineering dat zich zonder grote maatschappelijke blauwdrukken beperkt toteen veredeld soort trouble shooting.

De charme van dit politieke model lag in zijn verwantschap met dewetenschappelijke praktijk, waarvoor Popper eveneens een indrukwekkendmodel had opgesteld. Wetenschap gaat uit van controleerbare hypothesen eneen stap-voor-stap voortgaande toetsing die missers steeds op tijd kanbijstellen. En wat in de wetenschap zo succesvol was geweest, moest dat ookin de politiek wel zijn.

Maar deze theorie vergat dat zelfs de wetenschap het niet kan stellenzonder een overkoepelende overtuiging van wat in de werkelijkheid waar enonwaar was en dus naar welke einder deze stapsgewijze gang zich moestrichten. Op dezelfde manier zijn oplossingen in de politiek maar zeldenvanzelf evident; meestal worden ze dat pas tegen de horizon van een bredeopvatting over wat een goede en een slechte samenleving is.

Piecemeal engineering is in de politiek dan ook niet zo neutraal als zezelf denkt. Ze gaat uit van een werkelijkheid die evenzeer in kleinestukjes is op te delen als de maatschappij dat is in afzonderlijkeindividuen. En daarmee koestert ze een maatschappijvisie die zorgvuldigverborgen blijft achter de beheerstaal van een politieke methode. Watalleen maar een verstandige manier van omgang met problemen lijkt, slaatdaardoor vanzelf om in een maatschappijbeeld dat zichzelf onopgemerkt deste gemakkelijker waarmaakt.

Nu de kiezer steeds vaker te hoop loopt tegen de gevolgen van dezestrategie, krijgt de vraag welke samenleving we inhoudelijk willen, opnieuwlegitimiteit en urgentie. De politiek kan het nu eenmaal niet stellenzonder richtinggevende ideeën over de vraag wat een goede samenleving is,hoe die gerealiseerd kan worden en, nog daaraan voorafgaand, wat voor soortwezen de mens is die daarbinnen moet proberen gelukkig te zijn.

Het maakt immers nogal wat uit of een maatschappij ontworpen wordt vooreen verzameling individuen die geacht worden uit te zijn op hun welbegrepeneigenbelang, dan wel voor een menstype dat zichzelf allereerst als sociusbeschouwt, verweven met de mensen om hem heen en met de maatschappelijkeverbanden waarin hij zichzelf pas tot zijn recht voelt komen.

Op al die vragen moet een politieke visie antwoord kunnen geven, waarnade burger zich kan uitspreken over de aantrekkelijkheid, overtuigingskrachten vooral de wijsheid daarvan. Het blijft immers altijd de kiezer die hetlaatste woord heeft en de visionaire politicus zijn krediet geeft. Maar hijdoet dat op basis van een ontwerp dat hem wordt voorgehouden en dat de eensamenhangende blik op de werkelijkheid biedt. Hoe versnipperd die laatsteimmers ook in toenemende mate mag zijn, greep krijgt men er pas op en eenoordeel daarover kan men pas uitspreken op het moment dat zij overkoepeldwordt door een eenheidscheppende idee.

Politiek loopt zo vanzelf over in een filosofie en levensbeschouwing dieméér wil zijn dan een zorgvuldig naar het privé-leven verbannenindividuele gemoedsaandoening. Zij betreft de hele samenleving en zet zichdaarom publiekelijk in voor haar verwezenlijking. Zou zij dat niet doen,dan zou zij zichzelf evenzeer verraden als zij met een beroep op geweld ofterreur verraad pleegt aan de democratische orde die haar legitimeert.

Dat de kiezer het laatste woord houdt, betekent niet dat hij ook heteerste heeft. Het ontwerpen van een totaalblik op de samenleving is nietiedereen gegeven. Wanneer het op leidend inzicht aankomt, maakt dedemocratische gelijkheid van rechten plaats voor de natuurlijkeongelijkheid van talenten en raakt de politieke ontvoogding van de burgeraan haar grens.

Wie zich opwerpt als politiek, ideologisch of zelfs opinie-leider kanniet buiten een visioen waarvoor hij alleen verantwoordelijk is, al heefthij over de verwerkelijking daarvan niet het laatste woord.

Ideëel leiderschap kan zich er dan ook niet mee tevreden te stellen teluisteren naar het volk om het gehoorde daarna te synthetiseren tot eenpakket beleidsvoornemens. De politicus die zichzelf allereerst aanprijstals een open oor, begaat dezelfde fout als het ideologieloze liberalismedat de maatschappelijke orde graag vanzelf vanuit de baaierd van hetsociale en economische leven wil zien opkomen.

Wie voor het maatschappelijke plan allereerst de basis' wil latenspreken, oogt ongetwijfeld veel sympathie, maar draait tamelijk risicoloosde verantwoordelijkheden om of pleegt heimelijk intellectueel bedrog. Niethet volk maakt het maatschappelijk ontwerp, maar de denker - die binnen eendemocratie slechts via het volk ook een doener mag worden, of niet.

Het strekte Fortuyn tot eer dat hij wel een scherp oog had voor dewerkelijkheid van veel burgers maar zich er niet populistisch op beriep tedenken wat zij zeiden'. Hij nam de verantwoordelijkheid voor de ideeën dieheel uitdrukkelijk de zijne waren, om vervolgens te mogen ontdekken dat hijgezegd had wat zij dachten - of althans meenden dat te doen. Zijn charismabestond uit dat aureool van onafhankelijkheid, dat niet alleen eenpolitieke maar ook een ideële component bezat. Hij had een (zij het somsonuitgewerkte) totaalblik op de werkelijkheid die niet iedereen hoefde tebehagen om juist daardoor politiek toonaangevend te worden.

Politieke visie is, net als het wereldbeschouwelijk of wetenschappelijkgenie, altijd gebonden aan een persoonlijkheid en daarmee uiteindelijkelitair. Het is de enkeling die haar formuleert en die daarvoor zijnmaatschappelijke, politieke en soms zelfs fysieke leven in de waagschaalstelt. Voor het tonen van leiderschap is dat niet voldoende, maar eenvoorwaarde is het wel. Democratie is hoogstens een gecontroleerde vorm vanbevoogding.

Geen opmerkingen: